HET VERHAAL VAN THEO, DOOR THEO:

Ik heb de dingen zo nu en dan niet meer op een rijtje. Ik begrijp het niet meer. Ik vind het fijn om hier bij ’t Boerenerf op mijn kamer te zitten en om naar klassieke muziek te luisteren. Altijd dezelfde cd, de grootste hits van Maria Callas. Ik zing niet mee, mijn handen bewegen wel op de maat van de muziek.


Ik kon niet meer thuis wonen, omdat ik te veel beslag legde op mijn wederhelft. Dat zeg ik mooi hè? Ik kan niet goed vertellen hoe mijn leven eruit zag voor ik bij ’t Boerenerf kwam. Ik werkte bij Boskalis. Ik werkte veel en hard en heb jaren in het buitenland gewoond, in Nigeria bijvoorbeeld. We hebben ook op een ark gewoond bij Urk. Dat was in de beginjaren van de polder. De ark werd naar Emmeloord versleept. Over de Espelervaart, kan dat? Bij Tollebeek raakte de ark lek. We hebben ook een huis bij Jonen gehad. Ja, inderdaad, in de Weerribben. Ken je dat? Het is daar prachtig.

Ik weet niet of we dat huis bij Jonen nog hebben. De herinneringen donderen overal elkaar heen als ik het probeer te vertellen. Dan haper ik.

De schilderijen die hier op mijn kamer hangen, heb ik zelf gemaakt. Ik noem ze mijn gedrochten. Ik heb dat een tijdlang gedaan, ook nog toen ik hier woonde. Nu gaat het niet meer. Ik spetter nogal.

Vaak ontgaat het waarom mij. Ik moet diep nadenken. Ik weet niet hoe het heet wat ik heb.
Verdomme.

"Ik vind Gré een leuke verzorgster. Ze doet alles goed. Ze lacht. En ze zingt, ze zingt Maria Callas."

Dat het nu regent, dat maakt mij niet uit. Dat moet het rustig blijven doen. Ik heb er geen last van.

Ik vind de beessies hier bij ’t Boerenerf leuk. Als mijn vrouw me bezoekt, loopt zij met mij een rondje buiten. Ze komt heel trouw. Van mij hoeft het niet zo vaak. Ik snap dat zij ook wel eens andere gezichten wil zien. Ik vind het wel fijn als ze komt. Het is lekker om even op iemand vertrouwds te schelden. Soms vind ik het klote dat ik hier woon. Ik ben al mijn vrijheid kwijt. Ik ben altijd veel vrijheid gewend geweest.

De verzorgsters hier helpen me goed. Met aan- en uitkleden, wassen, naar bed gaan. Als mijn vrouw niet komt, lopen zij een rondje langs de dieren met me. Ik zit ook in de woonkamer. Ik kijk ’s avonds met de andere bewoners televisie. Als ik het programma niet leuk vind, vraag ik of iemand me naar mijn eigen kamer wil brengen. Dan zet ik de muziek aan en dan vergeet ik de wereld.

Ik vind Gré een leuke verzorgster. Wat ze goed doet? Dat vind ik een moeilijke vraag. Ze doet alles goed. Ze lacht. En ze zingt, ze zingt Maria Callas.

HET VERHAAL VAN THEO, DOOR GRÉ:

Onder het verzorgen zing ik een deuntje. Gewoon een liedje dat ik in m’n hoofd heb. Van de radio of een christelijk liedje. Tijdens het douchen, afdrogen en aankleden, gaat dat vanzelf. Ik weet dat Theo het fijn vindt als ik zing. Het maakt hem niet uit wat ik zing. Hij houdt van muziek.


Ik vind het leuk dat je op ’t Boerenerf echt een band kunt opbouwen met de bewoners. Ik lees in de krant wel over de problemen die er zijn in grote verpleegtehuizen. Ik herken die verhalen niet. Ik kan me er natuurlijk wel wat bij voorstellen. Als verzorgende draai ik mijn avond-nachtdienst in principe alleen, maar normaal gesproken is er ’s avonds een stagiaire om te helpen. Dus als ik een bewoner naar bed breng, zijn degenen die nog wakker zijn niet alleen in de woonkamer. De stagiaire houdt hen gezelschap. In de vakantieperiode loopt het anders, omdat er dan minder stagiaires zijn. Dan zit een bewoner hier ook wel eens alleen, en is het drukker voor me. Maar ’t Boerenerf is niet groot. Als ik boven bezig ben, houd ik wel het overzicht.

In het begin moest ik er wel aan wennen dat ik ’s nachts alleen ben op de boerderij. De dieren maken natuurlijk ook geluiden. Hoor ik nu de ezels, vroeg ik me af, of valt er een bewoner uit z’n bed? Maar ik ben nu gewend. Ik ken de geluiden. Bovendien kan ik Tessa of Martien altijd bellen, weet ik, en zij wonen dichtbij. In de drie jaar dat ik hier nu werk, is dat nog nooit nodig geweest.

’s Ochtends om half zes sta ik op. Eén mevrouw is dan altijd al wakker. Haar breng ik terug naar haar kamer. Ik loop dan ook even naar Theo, omdat hij geregeld niet droog blijft ’s nachts. Dan trek ik zijn vieze hemd uit, haal het natte laken weg. Kan hij nog even lekker een uurtje liggen.

"In het begin moest ik er wel aan wennen. De dieren maken 's nachts natuurlijk ook geluiden. Hoor ik nu de ezels, vroeg ik me af, of valt er iemand uit bed?"

Theo heeft vasculaire dementie, zoals dat heet. Dat is een heel andere vorm dan bijvoorbeeld bewoonster Manny heeft. Theo gaat geestelijk en lichamelijk langzamerhand achteruit. Hij is zich er deels van bewust dat hij verward raakt. Manny heeft alzheimer en mankeert lichamelijk amper iets, maar haar korte termijngeheugen werkt niet meer. Sinds ze hier woont, denkt ze dat ze op vakantie is. In het begin hebben we nog geprobeerd haar ervan te doordringen dat ze blijft. Daar werd ze bozig van, dus daarmee zijn we maar gestopt.

Op zijn goede dagen beseft Theo waarom hij hier woont. Dat is wel eens moeilijk voor hem. Maar die boze buien maak ik nooit mee. Theo en ik hebben een klik. Soms gaat hij daarbij weleens een grens over, maar dan herinner ik hem er duidelijk aan dat ik de zuster ben.

Het is niet nodig om daar heel streng in te zijn. Vaker probeer ik het met een grapje op te lossen. Ik probeer altijd de sfeer goed te houden. Als hij vraagt wanneer we nu eens samen op vakantie gaan, dan klets ik lekker mee. Waar zullen we heen, zeg ik dan. Spanje? Lekker naar de zon! Alleen jammer dat ik nog moet werken, grap ik er dan meteen achteraan.

Ik ben er natuurlijk voor alle bewoners. Dat vindt Theo wel eens jammer, maar ik zie het maar als een compliment.